Informatie

Openingstijden

1 mei - 31 oktober

dinsdag t/m vrijdag10.00 - 16.00 uur zaterdag, zondag en 13.00 - 17.00 uur feestdagen

1 november - 30 april

dinsdag t/m zondag13.00 - 16.00 uur en feestdagen

Gesloten

Maandagen, 1 januari, 1e Paasdag, 1e Pinksterdag, 25 december.

Bezoekadres

Kaasmarkt 20
1441 BG Purmerend
0299-472718
info@purmerendsmuseum.nl

Droogmakerijen

Beemster, Purmer en Wormer, 1730

Na de ontginningen van Waterland tussen 1000 en 1150 had de Zuiderzee nog steeds vrij spel. Daarom werden dijken om Waterland aangelegd om het steeds lager zakkende land tegen het water te beschermen. Rond het jaar 1400 was men hiermee klaar, toch hadden de zeedijken nog geen sterke constructie: ze braken geregeld door. Bovendien kon op sommige plaatsen (bij Edam en bij Krommenie bijvoorbeeld) het zeewater nog steeds zonder belemmering van dammen of sluizen, Waterland binnen stromen. Al met al was de wateroverlast in de 15e en de 16e eeuw groot geworden. Er was nog een andere bedreiging voor Waterland, namelijk de westenwind. Deze veroorzaakte soms grote golfslag op het binnenwater, zoals bijvoorbeeld de van oorsprong kleine riviertjes de “Bamestra” en de “Pulmeri”. Door het afkalven van de slappe oevers als gevolg van de golfslag op deze riviertjes ontstonden eerst meertjes, maar later steeds grotere watervlaktes: de meren Beemster, Purmer en Wormer, en de wat kleinere Buiksloter-, Belmer- en Broekermeer bijvoorbeeld. Dit proces versterkte zich: hoe groter de meren werden, hoe hoger de golven konden worden en hoe meer land er verloren ging. De centrale overheid zag zich gedwongen tot een grootscheepse aanpak. Ten eerste werd in 1544 het Hoogheemraadschap van de Uitwaterende Sluizen binnen Kennemerland en West-Friesland opgericht. Het schap moest zorgdragen voor het wegmalen en afvoeren van het water en voor de aanleg van dammen en sluizen in de laatst overgebleven open waterverbinding met de Zuiderzee te Edam en bij Nieuwendam. Daarna, in 1607, onstond het plan om met behulp van windmolens de Beemster droog te malen.


Al eerder had men ervaring opgedaan met landaanwinning door bedijking van buitendijks land (kogen) en met de drooglegging van enkele meertjes in de buurt van Alkmaar en van de Zijpe. Maar nog nooit was een drooglegging op zo’n grote schaal aangevat. Eerst moest rondom het meer een ringdijk en daarbuiten een ringvaart worden aangelegd. Daarna kon begonnen worden met de bouw van in totaal 41 molens die door middel van molengangen - drie later vier molens op een rij - en met behulp van vijzels het water trapsgewijs naar boven in de ringvaart maalden. Aan deze onderneming, gereed in 1612, is altijd de naam van Jan Adriaensz. Leeghwater uit de Rijp verbonden geweest. Hij heeft als opzichter en mogelijk ook als molenbouwer meegewerkt aan de meeste grote droogmakerijen. Na de Beemster volgde in snel tempo de Purmer (1622), de Wormer (1626) en de drie kleinere Waterlandse meren (1628).